202102.03
0

Hoge Raad: partijbedoeling geen rol bij kwalificatie arbeidsovereenkomst

Ceci n est pas une pipe

De Hoge Raad stelt in zijn arrest van 6 november 2020 (“Gemeente Amsterdam/X”) dat de partijbedoeling geen rol van betekenis speelt bij de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst. Wat is deze kwalificatie? Dat is de toets of sprake is van een arbeidsovereenkomst (art. 7:610 BW)

1) verplichting persoonlijk de arbeid te verrichten;
2) verplichting om loon te betalen;
3) in dienst van werkgever = gezagsverhouding.

Deze kwalificatie is met name van belang bij de afbakening ten opzichte van opdrachtovereenkomsten. Sinds het Groen/Schroevers-arrest speelde de partijbedoeling wel een rol (HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495). Deze vraag, wat partijen voor een overeenkomst “bedoelden”te sluiten, werd tot november 2020 standaard meegewogen in de “holistische” beoordeling of er een overeenkomst van opdracht was.

Het (ongewenste?) gevolg was dat veel werkgevers/opdrachtgevers dachten, dat zij de situatie en dus de overeenkomst wel naar hun hand konden zetten. ZZP’ers inhuren betekent lagere kosten en geen ontslagbescherming. Dit, en een gunstig fiscaal regime voor zzp’ers, heeft zonder twijfel bijgedragen aan de enorme vlucht die het flexibel werken en het aantal zzp’ers in Nederland genomen heeft. Als gevolg heeft een groeiende groep van de beroepsbevolking geen vaste arbeidsovereenkomst, met alle risico’s (bij werkeloosheid of arbeidsongeschiktheid) van dien.

De Hoge Raad heeft in november 2020 uitgemaakt dat wij arbeidsjuristen de Hoge Raad helemaal verkeerd begrepen hebben… De partijbedoeling mag in de kwalificatiefase van de arbeidsovereenkomst juist geen enkele rol spelen, zo stelt de Hoge Raad streng.

Alleen in de voorafgaande fase, waarin wordt onderzocht welke afspraken partijen zijn overeengekomen, speelt de partijbedoeling een (belangrijke) rol. Dit volgens de Haviltex maatstaf, een algemene maatstaf voor uitleg van contracten.

De gevolgen voor de praktijk zijn aanzienlijk. Werkgevers/opdrachtgevers kunnen geen opdrachtovereenkomst meer “creëren” omdat zij zelf liever een (flexibelere, goedkopere) opdrachtovereenkomst willen. Zij hebben dat zelf niet meer in de hand. Het hangt van de overeengekomen rechten en verplichtingen af of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Als deze de elementen loon, arbeid en gezagsverhouding bevatten, dan is het volgens de wet een arbeidsovereenkomst. Bijvoorbeeld platform “werkgevers” komen niet meer zo makkelijk onder hun verplichtingen uit. Deze stellen zich nu nog vaak op het standpunt dat zij alleen aanbod en “zzp”ers bij elkaar brengen. Het algoritme dat dit regelt, met de ingebouwde positieve en negatieve prikkels, de eisen van beschikbaarheid, hebben echter een zodanige invloed op de “zelfstandigen”, dat te betogen is dat dit een moderne vorm van gezagsverhouding is.

Niet alleen de Hoge Raad vond het belangrijk een grens te trekken. Er is veel in beweging. De wens van veel arbeidsjuristen is dat het arbeidsrecht een grondige verbouwing ondergaat. Een expertgroep van de VAAN heeft het “Wetboek van Werk 2025” geschreven. Zij bepleiten een gelijke rechtspositie en fiscale behandeling voor alle “werkers”, en oa. een verlaging van werkgeversrisico’s. De Commissie Borstlap heeft hierover ook interessante voorstellen gedaan. De bal ligt nu bij de politiek, na de verkiezingen kunnen hier hopelijk eindelijk knopen worden doorgehakt.

Zie voor de gehele uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 2020: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2020:1746) 
Wetboek van Werk: https://www.wetboekvanwerk.nl/home
Commissie Borstlap “In wat voor een land willen wij werken?”: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/01/23/rapport-in-wat-voor-land-willen-wij-werken
Conclusie A-G de Bock: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:698